Sinds 1 september 2025 beschikken scholen in Vlaanderen over een duidelijk regelgevend kader dat leerlingen uit het basisonderwijs toelaat om tijdelijk lessen te volgen in een secundaire school. Deze vorm van lesbijwoning biedt scholen nieuwe mogelijkheden om tegemoet te komen aan uiteenlopende onderwijsbehoeften. Hoewel de maatregel breed inzetbaar is, wordt hij in dit artikel vooral besproken in relatie tot cognitief sterk functionerende (CSF-)leerlingen.
In essentie is lesbijwoning niet enkel een manier om meer cognitieve uitdaging te bieden. Het is ook een vorm van klasexterne verrijking waarbij leerlingen stapsgewijs kennismaken met de structuur, cultuur en verwachtingen van het secundair onderwijs. Het traject combineert twee belangrijke doelen: leerlingen opnieuw uitdagen op hun niveau én de overgang naar het secundair onderwijs geleidelijker maken.
Voor veel scholen en ouders klinkt dit als een interessante tussenoplossing. Een leerling blijft verbonden met de vertrouwde basisschool, maar krijgt tegelijk toegang tot meer uitdagende leerinhouden in het secundair onderwijs. Toch leert de praktijk dat lesbijwoning geen wondermiddel is en dat een zorgvuldige afweging essentieel blijft.
Waarom kiezen scholen voor lesbijwoning?
In de praktijk zien we verschillende redenen waarom een traject lesbijwoning wordt opgestart. Soms loopt de motivatie van een leerling sterk terug omdat de leerstof onvoldoende uitdagend is. In andere gevallen botst de basisschool op de grenzen van compacten, verrijken of differentiëren naar boven. Ook een grote vakspecifieke voorsprong kan aanleiding geven om samenwerking met een secundaire school te onderzoeken. Daarnaast zijn er leerlingen die cognitief klaar lijken voor een versnelling, maar die hun laatste jaar basisonderwijs graag samen met hun vrienden willen afronden.
Het hoofddoel van dergelijke trajecten is het bieden van passende uitdaging zodat motivatie en welbevinden behouden blijven. Leerlingen krijgen toegang tot een rijkere leeromgeving waarin hun interesses en talenten sterker aangesproken worden. Tegelijk wordt de overstap naar het secundair onderwijs minder abrupt doordat ze al kennismaken met nieuwe vakken, leraren en leerstructuren.
De regelgeving laat veel flexibiliteit toe. Een leerling kan gedurende een bepaalde periode enkele uren per week lessen volgen in een secundaire school, deelnemen aan specifieke projecten of zelfs een volledig vak opnemen. De leerling blijft daarbij ingeschreven in de basisschool en beide scholen maken samen afspraken over organisatie, opvolging en evaluatie.
Meer dan enkel uitdaging
Wat opvalt in succesvolle trajecten, is dat de leerling geen passieve deelnemer is. De leerling krijgt inspraak in de keuze van vakken of vakclusters die aansluiten bij persoonlijke interesses en talenten. Die autonomie is belangrijk. Wanneer leerlingen mee kunnen bepalen welke leeruitdagingen ze aangaan, neemt hun betrokkenheid vaak toe.
Door leerlingen vroegtijdig toegang te geven tot vakken die aansluiten bij hun interesses, wordt leren opnieuw betekenisvol en uitdagend. Voor sommige leerlingen die in het basisonderwijs al signalen van verveling of demotivatie vertonen, zorgt dit ervoor dat de intrinsieke motivatie opnieuw aangewakkerd wordt.
Daarnaast heeft lesbijwoning ook een belangrijke transitie-functie. Leerlingen maken al tijdens het zesde leerjaar kennis met de structuur van het secundair onderwijs, verschillende vakleerkrachten, nieuwe verwachtingen en een andere schoolcultuur. Dit vergroot hun zelfvertrouwen en verkleint de kloof tussen basis- en secundair onderwijs.
Samenwerking als sleutel
Lesbijwoning is geen traject dat een basisschool of secundaire school alleen kan realiseren. Een succesvolle uitvoering steunt op een nauwe samenwerking tussen leerling, ouders, basisschool en secundaire school.
De leerling, ouders, klasleraar, zorgcoördinator, directies, leerlingenbegeleiders en eventueel CLB of leerondersteuning vormen samen een netwerk rond de leerling. De leerling krijgt een actieve stem, ouders bewaken mee de haalbaarheid, de basisschool blijft het sociale luik en het emotioneel functioneren mee opvolgen en de twee scholen nemen de organisatorische verantwoordelijkheid op zich.
Duidelijke afspraken en korte communicatielijnen blijken daarbij essentieel. Sommige scholen werken met vaste contactpersonen of zogenaamde SPOC’s (Single Points of Contact) zodat vragen, bezorgdheden en evaluaties snel kunnen besproken worden. Die transparante communicatie blijkt één van de belangrijkste succesfactoren van een traject.
Wanneer lesbijwoning misschien niet de beste keuze is
Hoewel lesbijwoning voor sommige leerlingen een uitstekende oplossing blijkt, hebben we bij een aantal scholen na een jaar ervaring ook vastgesteld dat het niet altijd de meest passende interventie is.
Vooral bij leerlingen met een zeer grote cognitieve voorsprong moeten scholen voorzichtig zijn. Wanneer een leerling nog geen eerdere versnelling heeft doorgemaakt, sociaal sterk is, gemakkelijk contact legt met oudere leerlingen of ontwikkelingsgelijken én een hoge need for cognition heeft, zien we soms een onverwacht effect.
De leerling geniet zichtbaar van de lessen in het secundair onderwijs. De motivatie tijdens die momenten stijgt, de leerling voelt zich uitgedaagd en vindt vaak aansluiting bij leerlingen met gelijkaardige interesses. Tegelijk kan de rest van de week in het basisonderwijs nog minder uitdagend aanvoelen dan voordien. Daardoor kan de motivatie voor de lessen in de basisschool verder dalen en groeit soms ook de afstand tot leeftijdsgenoten.
In dergelijke situaties krijgt lesbijwoning bijna een diagnostische functie. Het traject maakt zichtbaar hoe groot de mismatch tussen de onderwijsbehoeften van de leerling en het huidige aanbod werkelijk is. Scholen moeten dan de moed hebben om opnieuw naar het volledige plaatje te kijken.
Soms blijkt een volledige versnelling dan beter aan te sluiten bij de onderwijsbehoeften van de leerling dan een gedeeltelijk traject van lesbijwoning. Dat betekent uiteraard niet dat lesbijwoning vermeden moet worden, maar wel dat elke casus individueel bekeken moet worden en dat ook andere interventies expliciet onderzocht moeten worden.
Lesbijwoning is geen vervanging van verrijking
Een belangrijk aandachtspunt is dat lesbijwoning nooit mag uitgroeien tot een vervanging van het eigen CSF-beleid van de basisschool.
Ook wanneer een leerling enkele uren of dagdelen in het secundair onderwijs doorbrengt, blijft de basisschool verantwoordelijk voor het aanbieden van onderwijs binnen de zone van naaste ontwikkeling. Lesbijwoning mag geen gemakkelijkheidsoplossing worden waarbij de secundaire school alle uitdaging moet voorzien.
Sterke trajecten ontstaan wanneer lesbijwoning een aanvulling vormt op een reeds bestaand aanbod van compacten, verbreden, verdiepen en differentiëren. De secundaire school biedt bijkomende kansen, en de basisschool blijft investeren in uitdagende leerervaringen die aansluiten bij de onderwijsbehoeften van de leerling.
Lesbijwoning werkt het best als onderdeel van een breder traject van (cognitieve) talentontwikkeling, niet als een losstaande maatregel.
Het belang van een sterk CSF-beleid
De slaagkansen van lesbijwoning hangen sterk samen met de maturiteit van het schoolbeleid rond cognitief sterk functioneren.
Scholen die reeds langer inzetten op een geïntegreerd CSF-beleid beschikken vaak over meer expertise om trajecten op te volgen, te evalueren en indien nodig bij te sturen. Ze hebben doorgaans ook meer ervaring met alternatieven zoals compacten, verrijken, vakversnelling en volledige versnelling.
Voor scholen die nog in de kinderschoenen staan, is dat vaak moeilijker. Wanneer een traject niet loopt zoals verwacht, ontbreekt soms de ervaring om snel de juiste aanpassingen te maken. Daardoor bestaat het risico dat men te lang vasthoudt aan een interventie die onvoldoende effect heeft.
Ook specialistische expertise en professionalisering spelen een belangrijke rol. Leerkrachten en begeleiders moeten voldoende kennis hebben over de onderwijsbehoeften van cognitief sterke leerlingen om de juiste beslissingen te kunnen nemen en trajecten kwaliteitsvol te begeleiden.
Wat weten we al en wat weten we nog niet?
Hoewel de eerste ervaringen van scholen positief zijn, is het belangrijk om te erkennen dat er momenteel nog geen specifiek onderzoek beschikbaar is naar lesbijwoning van leerlingen uit het basisonderwijs in het secundair onderwijs. De regelgeving is immers nog zeer recent en de praktijkervaringen zijn beperkt tot de eerste trajecten die scholen opzetten.
Dat betekent niet dat deze trajecten ondoordacht zijn. Integendeel. De praktijk bouwt voort op wat we wel weten uit onderzoek rond cognitief sterk functioneren, verrijking, motivatie, talentontwikkeling, versnellen en transities tussen onderwijsniveaus. Die kennis vormt de basis waarop scholen hun trajecten vormgeven.
Tegelijk bevinden veel scholen zich momenteel in een belangrijke leerfase. Ze zetten trajecten op, verzamelen ervaringen en evalueren systematisch de effecten op motivatie, welbevinden, leerwinst en sociale ontwikkeling. Met andere woorden: scholen draaien momenteel hun PDCA-cyclus. Ze plannen trajecten, voeren ze uit, evalueren wat werkt en sturen bij waar nodig.
Net die evaluatiefase levert vandaag al waardevolle inzichten op. Zo merken sommige scholen dat lesbijwoning voor bepaalde leerlingen zeer goed werkt als verrijkings- en transitie-interventie, terwijl ze bij andere leerlingen vaststellen dat een volledige versnelling mogelijk beter aansluit bij de onderwijsbehoeften. Ook de impact op motivatie, sociale aansluiting en de samenwerking tussen basis- en secundair onderwijs wordt steeds duidelijker.
De komende jaren zullen deze praktijkervaringen een belangrijke bron van kennis vormen. Ze kunnen scholen helpen om scherpere keuzes te maken en bieden tegelijk waardevolle aanknopingspunten voor toekomstig onderzoek naar de effectiviteit van lesbijwoning als onderwijsinterventie.
Besluit
Lesbijwoning tussen basis- en secundair onderwijs creëert nieuwe kansen voor leerlingen die nood hebben aan meer uitdaging. Het kan een krachtige manier zijn om motivatie te versterken, interesses te voeden en de overgang naar het secundair onderwijs te verkleinen.
Tegelijk vraagt deze maatregel om nuance. Niet elke leerling heeft baat bij dezelfde aanpak. Voor sommige cognitief sterke leerlingen vormt lesbijwoning een ideale tussenstap. Voor anderen maakt het traject juist duidelijk dat een volledige versnelling beter aansluit bij hun onderwijsbehoeften.
Daarnaast leert de praktijk dat niet alleen de leerling klaar moet zijn voor een dergelijk traject. Ook de betrokken scholen moeten voldoende expertise hebben om het traject op te volgen en indien nodig bij te sturen. Scholen die reeds een uitgebouwd beleid hebben rond cognitief sterk functioneren beschikken vaak over meer mogelijkheden om flexibel te schakelen wanneer de situatie verandert.
Lesbijwoning is vandaag geen eindpunt, maar een leerproces voor scholen én leerlingen. De regelgeving creëert kansen, maar de optimale invulling wordt nog mee vormgegeven door scholen die hun ervaringen kritisch analyseren, evalueren en bijsturen. Juist die bereidheid om te leren van de praktijk maakt dat deze nieuwe maatregel het potentieel heeft om uit te groeien tot een waardevolle schakel binnen een geïntegreerd beleid voor cognitief sterk functionerende leerlingen.
De kernvraag blijft daarbij niet: “Kunnen we lesbijwoning organiseren?” maar wel: “Wat heeft deze leerling nodig om zich optimaal te ontwikkelen?” Pas wanneer die vraag centraal staat, wordt lesbijwoning een doordachte onderwijsinterventie in plaats van een doel op zich.

